Wat met de migratiestop?

1. Opleidingsniveau van de migranten.

Het opleidingsniveau van de eerste generatie migranten is lager dan dit van de autochtone bevolking. Het opleidingsniveau van migranten is in de periode 1998-2002 wel gestegen, maar het aantal immigranten zonder opleidingsniveau is nog steeds aanzienlijk groot. Een groot deel van de cijfers ontbreekt echter, het is dus moeilijk om een exact cijfer weer te geven. Maar migranten met een diploma kunnen niet noodzakelijk aan de slag op de Belgische arbeidsmarkt. Voor bepaalde sectoren is er namelijk een diplomagelijkstelling nodig. In Vlaanderen is er een dienst die de diploma’s van migranten gaat controleren en het opleidingsniveau gaat bepalen. Of migranten al dan niet opleidingen kunnen volgen hangt af van verschillende factoren: de motivatie, de flexibiliteit, kinderopvang, … Migranten hebben niet altijd alle middelen om de opleiding die ze willen volgen te kunnen volgen. De kostprijs van een opleiding kan zeer hoog liggen en kan zonder tussenkomst van het OCMW zeer kostelijk uitvallen. De opleiding voor migranten duurt zeer lang. Dit is te wijden aan het feit dat de opleidingen niet zijn aangepast aan het niveau van laaggeschoolden, en de opleidingen worden in het Nederlands gegeven, dus een taalopleiding wordt ook noodzakelijk voor de migranten. Door een gebrekkige talenkennis is men vaak niet in staat om de opleidingen te volgen. Vrouwelijke migranten die in een gezin naar België komen hebben niet dezelfde kansen om onderwijs te volgen. Dit komt onder andere door het feit dat ze voor hun kinderen moeten zorgen omdat ze niet genoeg geld hebben om kinderopvang te betalen.

Diploma-erkenning en onderwijs

Er zijn migranten die speciaal naar het buitenland trekken om daar een diploma op ‘hoger’ niveau te behalen. Dit is belangrijk voor bepaalde jobs. Diploma-erkenning is een principieel instrument dat tewerkstelling op ‘hoger’ niveau mogelijk maakt. Vroeger was deze procedure zeer omslachtig en duur, maar nu, door het verminderen van de kostprijs en het aantal formulieren, is dit een stuk minder omslachtig. Voor migranten zijn er enkele specifieke problemen die de diploma-erkenning bemoeilijken. Voor sommige migranten is studeren in België een middel om hun thuisland te verlaten en zo in België een goede arbeidsmarktpositie (op niveau) te verkrijgen. Migranten die niet gestudeerd hebben, gaan vaak later terug studeren omdat ze niet aan werk komen op andere manieren. De vreemdelingen moeten wel over voldoende geld beschikken, want de diploma-erkenning is duur. Een inburgeringtraject (taalcursussen, voorlopige verblijfsvergunning, …) moet de vreemdeling in staat stellen om makkelijker werk te verkrijgen. Voor groepen vreemdelingen is er echter geen sprake van een tijdelijk verblijfsstatuut. De opleidingen betekenen voor de migranten vaak een verlies van geld, want de meeste niet EU-onderdanen hebben geen recht op een werkloosheidsuitkering. Dit betekent dat migranten zelf voldoende bestaansmiddelen moeten genereren om niet terug te hoeven vallen op het OCMW-vangnet. Een vervangingsinkomen behouden tijdens het studeren is niet evident en migranten zien zich dus geconfronteerd met een aantal beperkingen. De nieuwkomers die in principe het minste kans hebben op een permanent verblijf hebben meer mogelijkheden om hogere studies aan te vatten dan vreemdelingen die een permanent verblijf hebben. Naast het geld dat nodig is voor de diploma-erkenning, zijn er ook nog andere toegangsdrempels. Trajectbegeleidingsdiensten bijvoorbeeld vertrekken vaak enkel vanuit het eigen opleidingsaanbod, zonder aan de migrant te vragen wat ze willen gaan studeren. Soms is een tijdelijke verblijfsvergunning niet enkel een probleem met betrekking tot de toegang tot het hoger onderwijs, maar ook gewoon een reden om het hogere onderwijstraject stop te zetten. Algemeen gezien is het eerste jaar voor migranten altijd moeilijk, want men wordt geconfronteerd met allerhande problemen.

2. Beroepskaart

De beroepskaart is een machtiging die het mogelijk maakt om buitenlanders in België een zelfstandige beroepsactiviteit te laten beoefenen. Het is verplicht voor personen: • die geen Belgische nationaliteit hebben; • of niet de nationaliteit van een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte (Europese Unie, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein); • of nog niet van de beroepkaart zijn vrijgesteld omwille van andere redenen. Vreemdelingen zijn vrijgesteld wanneer: - zij houder zijn van een geldige IKV (identiteitskaart voor vreemdelingen) of van een geldig BIVR (bewijs van inschrijving binnen het vreemdelingenregister); - gehuwd zijn met een persoon met de Belgische nationaliteit; - zij als vluchteling erkend zijn door België; - … Het doel van de beroepskaart is een evenwicht te vinden tussen de verwachtingen van de vreemdelingen die in België een zelfstandige activiteit willen uitoefenen en de economische, sociale en culturele belangen van ons land. Vreemdelingen kunnen een beroepskaart toegekend krijgen als ze voldoen aan drie criteria: • ze moeten een verblijfsvergunning hebben; • ze moeten de reglementaire verplichtingen naleven met betrekking tot de uitgeoefende activiteit; • het belang van het project: - ze moeten beantwoorden aan een economische behoeften, het scheppen van werkgelegenheid, nuttige investeringen, … - er kan ook een beoordeling gemaakt worden in termen van sociaal, cultureel, artistiek of sportief nut. Je kan een beroepskaart aanvragen bij de Belgische ambassade of in het Belgisch consulaat voor een persoon de in het buitenland leeft. Je kan dit ook in het gemeentehuis doen, maar dan moet de vreemdeling over een bewijs van inschrijving in het vreemdelingregister beschikken. Er zijn ook uitzonderingen. Als de migrant omwille van veiligheidsredenen deze aanvraag niet kan indienen, dan kan deze migrant de aanvraag indienen bij een Belgische diplomatieke post, of bij het gemeentebestuur. Om de aanvraag te verkrijgen moet er dan wel goedkeuring zijn van de minister van Binnenlandse Zaken. Als men de aanvraag weigert kan men pas na twee jaar terug een nieuwe aanvraag indienen. Deze regel geldt niet als de aanvrager een nieuwe activiteit wil gaan uitoefenen of wanneer de persoon nieuwe inhoudelijke elementen aanbrengt die meer informatie geven. De beroepskaart is geldig voor een periode van vijf jaar. Voor de eerste beroepskaart wordt een proefperiode van twee jaar verleend. Hierna kan de kaart hernieuwd worden als de houder voldoet aan zijn wettelijke verplichtingen. Drie maanden voor de vervaldatum moet de kaart terug ingeleverd worden.

3. Migranten en zwartwerk (krantenartikel)

Titel : Zes illegalen opgepakt op werf in Brussel. De Brusselse politie heeft woensdag zes arbeiders met de Braziliaanse nationaliteit, die illegaal in ons land verbleven, opgepakt op een werf aan de Leopoldstraat en de Schildknaapstraat. Dat heeft het parket van Brussel donderdag laten weten. De zes hadden Portugese identiteitskaarten op zak. Een deel van hun documenten waren volledig vals, terwijl andere voor een gedeelte vervalst waren. De arbeiders werden ter beschikking gesteld van de Dienst Vreemdelingenzaken en zullen op het vliegtuig richting Brazilië gezet worden. De werfleider kreeg een proces-verbaal wegens zwartwerk. 30/08/2007 Bron: gva

4. Moeit de overheid zich met migranten op de arbeidsmarkt?

Paul Scheffer zegt in een interview dat migratie niet gelinkt kan worden aan politieke stromingen. Hij zegt dat er bijna geen migratiestromen in de geschiedenis zijn waar de overheid niet heeft opgetreden. Het zal wel dat meer dan de helft van de Afrikaanse jongeren graag de Middellandse Zee wil oversteken. Vraag is alleen of we daar gelaten naar moeten kijken als was het een onontkoombare fataliteit. Dat geloof ik niet. Net de stelling dat migratie aan iedere controle ontsnapt, heeft bij uitstek gezorgd voor maatschappelijke onrust en afwering. Een transparant migratiebeleid, waarbij je uitlegt waarom je sommige vormen van migratie toelaat en andere niet, zorgt er net voor dat migratie zichzelf rechtvaardigt. Omdat mensen dan inzien dat migratie de samenleving verbetert, economisch iets bijdraagt, niet alleen in de lotsverbetering van de migranten zelf, maar voor de samenleving als geheel. (...) Maar ook met [populisten] moet je het debat aangaan. Hier in Vlaanderen verwondert me dat: wanneer je alle stemmers van het Vlaams Belang afschildert als mensen die zich alleen door irrationaliteit en xenofobie laten leiden en je weigert ieder gesprek, dan moet je niet verwonderd zijn dat je ze wegjaagt van de politieke arena en in een reservaat opsluit waaruit je ze niet meer terugkrijgt. Paul Scheffer, geïnterviewd door Yves Desmet in De Morgen, 19 januari 2008

Heeft de overheid een spreidingsbeleid voor migranten?

De overheid heeft nog niet echt een spreidingsbeleid, ze is bezig met de voorbereiding van een spreidingbeleid om de migratie te verbeteren. De overheid gelooft met een spreidingsbeleid de allochtonen te kunnen verdelen onder de steden, zodat de allochtonen beter en sneller integreren. Als de allochtonen verdeeld zijn in wonen en scholing gaan ze meer om met mensen van de Belgische cultuur en leren ze zo sneller en beter de Belgische normen en waarden kennen. Het is beter dat de allochtone kinderen verdeeld zitten op school, want dan leren ze beter en is hun achterstand minder groot. Op een ‘zwarte’ school is de taalachterstand groot en leren de allochtone kinderen de Nederlandse taal moeilijk en langzaam, met als gevolg leerproblemen. Deze leerproblemen leiden misschien tot het niet halen van een diploma. Door een spreidingsbeleid integreren de allochtone ouders en kinderen dus sneller, daardoor leren ze de Belgische waarden en normen beter en sneller kennen en dat kunnen ze gebruiken bij het opvoeden. Als er geen spreidingsbeleid is wonen allochtonen dicht bij elkaar en hier moet iets aan gedaan worden. Hierdoor sluiten zij zich af van de buitenwereld en handhaven ze de waarden en normen van hun land van herkomst. Dit maken de ouders tot opvoeders die niet in staat zijn hun kinderen goed voor te bereiden op een succesvolle deelname aan de Nederlandse samenleving. Een aantal allochtone ouders kan hun kinderen niet zo opvoeden dat die buiten de criminaliteit blijven. Deze kinderen lopen daarnaast een groot risico op te groeien met precies dezelfde zwakke sociaal-economische status als hun ouders. Doordat de allochtone ouders de waarden en normen handhaven van hun herkomstland kan dit leiden tot een slechte relatie met hun kinderen wat de kinderen naar het slechte pad leidt. De ouders geven hun kinderen minder steun en slaan hun kinderen vaker dan het gemiddelde Nederlands gezin. Dit motiveert een kind niet om beter zijn/haar best te doen op school om de achterstanden in te halen. Dit kan ertoe leiden dat kinderen net zo eindigen als hun ouders. Een voorbeeld van een spreidingsbeleid zou zijn dat scholen niet meer dan 10% allochtone kinderen mogen hebben. Met dit percentage kunnen de allochtone kinderen perfect integreren en zijn hun achterstanden gemakkelijk in te halen. Hierdoor hebben ze dus betere toekomstkansen in onze maatschappij. Als de school het percentage heeft moeten ze kinderen weigeren om naar die school te gaan, omdat een kind toch leerplicht heeft zoeken de ouders een andere school op. Zo verspreidt je de allochtone kinderen wat de integratie bevordert en de segregatie tegen gaat. Een voorbeeld is een spreidingsbeleid van Rotterdam, wat ze wil invoeren. Het plan genaamd. 'Rotterdam zet door. Op weg naar een stad in balans' zorgt ervoor dat migranten verspreid worden over de stad, en ook daadwerkelijk gaan werken. Rotterdam wil samen met het Rijk een volwassen immigratiebeleid. Een immigratiebeleid dat zich richt op de uitzetting van illegalen, het stellen van eisen aan gezinsvorming en hereniging, de beheersing van binnenlandse migratie en integratie als basisvoorwaarde voor verblijf in Nederland. Ook wil Rotterdam een aangescherpt vestigingsbeleid voeren. Dit beleid is gericht op het vasthouden en aantrekken van de gewenste bewoners in bedreigde wijken en een betere beheersing van de kansarmen in de stad. Zo krijgen werkloze jongeren vrijwilligerswerk te doen in hun buurt. Woningcorporaties moeten voorrang geven aan mensen die in de wijk hun schouders eronder willen zetten. Wie een bedrijf in een slechte buurt begint, krijgt belastingvoordeel. En alleen instellingen met maatschappelijke stageplekken krijgen nog subsidies. Ook zeer belangrijk is de aanpak van illegale bewoning en asociale huurders en huisbazen, de verruiming van toewijzingsregels voor woningen en het toepassen van een positieve stemming over de toelating van een lid in probleemwijken. Daarnaast wil Rotterdam het inburgeren, integreren en investeren in zorg en begeleiding, onderwijs, werk en economie uitvoeren.